A letter to my beloved Rat


Dear Rat,

We met for the first time when I was 7 years old and you and your brother appeared as a gift in our pantry. An interesting gift I would say, since rats were then already known as filthy animals. We, my two older brothers and I, did not agree on that and thought you and your brother were fantastic. Until at one evening, while we sat down for dinner and ate spaghetti with the family, very strange sounds were heard from the pantry. Our mom went out to check. Followed by dad. Followed by my brothers. To me a request to stay seated at the table. Apparently, your brother had decided to eat you. He was halfway through his meal and you were probably more than half dead. My introduction to the world of the rat was also the introduction to the world of death. Not really nice, you know.

The second time we saw each other was at a time when I lived in the belief that Í was the one about to die. After an Indian dinner in the North of Laos (the worst place to eat Indian, really, how stupid could I be), I spent the day after on a boat, puking, on my way to the border with Vietnam. All the more food disappeared from my stomach, the higher sustained my body temperature. I was scared: for the first time traveling alone, empty inside but full in my head, because what if this was not a food poisoning but malaria instead? There was only one guesthouse on the edge of the river, where I could spend the night. It was dirty. I just wanted to sleep. And there you were, suddenly, on my bedside table, while eating my earplugs. I didn’t have the energy to scare or worry as loneliness had taken the upper hand. I tried to chase you away by stomping on the ground. It worked, but two minutes later you came back to take over the soap that was on the nightstand. We played hide-and-seek for an hour, until you left me no choice but to give up. I took a sparkle of Buddhism from my toes and told you that you were welcome, everything in the room was to eat but that I was hoping you’d let my body alone tonight. I turned around and fell asleep. The next morning you were gone. Along with all that had been on my nightstand only 12 hours before. I was grateful. And I was not dead.

A few years later we met again, this time safely in my home in Amsterdam. As my roommate was terrified of you, she spread poison into every nook and cranny of our house. She didn’t have my permission because I wanted to be friends with you. Anyway, you and your family were not resistant to the blue granules and regularly I could smell your death. And sometimes, when I was lucky, I saw your brother or sister die slowly while he or she painfully dragged their bodies behind my refrigerator. When the body did not make it into one of my kitchen holes, I had at least the chance to hold a small R.I.P.-ceremony before throwing the little body in the trashcan. I am sorry that death had brought us together again.

Our fourth meeting took place abroad again. Sulawesi turned out to be your home. You were everywhere: on the street, in the gutter, in restaurants, on the verge. And in a couch in a guesthouse. One of you had built a phenomenal trail through the couch. You were not exactly malnourished and this time I watched your fat bodies running through the track. I was even a little scared because you were so fast. Death now also proved not to be far away. I found your cousin in the street, who had unfortunately not survived the harsh Sulawesian street-life. I took a picture of his broken body and posted it on Facebook so I could give him some kind of recognition for his life on earth.

Over the past few months I saw you regularly while travelling through India. We now know how to find each other more often, since you know I can be found in unhygienic environments and I am no longer afraid of your unexpected pop-ups and thick tail. After all, we have already been friends for almost 25 years and our meetings are becoming more cosy.

Last week I decided that it was time for a real ceremony to make our relationship more official. I had a long way off the beaten track, but as you know by now, I don’t mind to put in more effort to meet up with you my love. It took me a few day-travel and a few hours of searching but I had managed to get closer to your origin. There I was, in front of your palace: the rat temple in Deshnok. I had to prepare myself mentally over a Chai tea for our ceremony, but then I was ready. Shoes off. Shawl around my shoulders. Breathe in and out and off I went. Barefoot in the temple. And there you were surrounded by thousands of friends and relatives. You were everywhere, in all corners, holes, ridges, cracks. The whole floor was filled. Small, large, old and fat, young and energetic. Alive and some dead, again. Running, playing, sleeping, eating and drinking. I’ll be honest with you, fear shot my throat again and it took a while before I got used to the hustle and bustle of your existence. I prayed for you, along with hundreds of Hindu worshipers, and for the first time I no longer felt alone in my admiration for your people.

And then I could handle it. I kneeled down, touched the cool and dirty floor and sat in lotus-position. Suddenly, all fear disappeared. Like filth, speed and suddenness no longer existed. I trusted you completely. I could not believe where I was and what I did. I closed my eyes. Took a breath. And I was totally where I was. Together with you. One.

Until death do us part.

Een brief aan mijn geliefde Rat


Lieve Rat,

We ontmoetten elkaar voor het eerst toen ik 7 jaar was en jij samen met je broer als cadeau in onze bijkeuken verscheen. Interessant cadeau moet ik zeggen, want ratten stonden ook toen al bekend als smerige beesten. Wij, mijn twee oudere broers en ik, vonden jou en je broer echter fantastisch. Totdat we op een avond, terwijl we met het gezin aan de spaghetti zaten, hele gekke geluiden uit de bijkeuken hoorden komen. Ons mam ging kijken. Gevolgd door ons pap. Gevolgd door m’n broers. Aan mij het verzoek om vooral aan tafel te blijven zitten. Blijkbaar had je broer besloten om je op te eten. Hij was halverwege zijn maal en jij was waarschijnlijk meer dan halverwege de dood. Mijn introductie in de wereld van de rat was meteen ook de introductie in de wereld van de dood. Best heftig voor een 7-jarige weet je.

De tweede keer dat we elkaar zagen was op een moment dat ik in de overtuiging leefde dat ík zou sterven. Na een Indiase avondmaaltijd in het ontgonnen noorden van Laos (de slechtste plek om Indisch te eten, echt, hoe stom kon ik zijn), bracht ik de dag erna kotsend door op een boot die me naar de grens met Vietnam zou brengen. Des te meer voedsel er uit mijn maag verdween, des te hoger mijn lichaamstemperatuur opliep. Ik was bang, zo voor het eerst alleen op reis, leeg van binnen maar vol in mijn hoofd, want wat als dit niet een voedselvergiftiging maar malaria was? Er was maar één guesthouse aan de rand van de rivierwaar ik de nacht door kon brengen. Het was er vies. Heel erg vies. Maar ik wilde toch alleen maar slapen. En daar was je, ineens, op mijn nachtkastje, al etend aan mijn oordoppen. Ik had niet de energie meer om te schrikken of bang te zijn aangezien eenzaamheid de overhand had genomen. Ik probeerde je weg te jagen door op de grond te stampen. Het werkte, maar 2 minuten later was je weer terug om je te ontfermen over de zeep die op datzelfde nachtkastje lag. We speelden het hide-and-seek-spel gedurende een uur, totdat je me geen andere keus liet dan op te geven. Ik toverde een sprankje boeddhisme uit mijn tenen en vertelde je dat je welkom was, alles in de kamer op mocht eten maar dat ik hoopte dat je mijn lijf met rust zou laten vannacht. Ik draaide me om en stortte in slaap. De volgende ochtend was je weg. Samen met alles wat 12 uur daarvoor nog op mijn nachtkastje had gelegen. Ik was je dankbaar. Én ik was niet dood.

Enkele jaren later zagen we elkaar weer, ditmaal veilig thuis in Amsterdam. Aangezien mijn huisgenote doodsbang van je was, verspreidde ze gif in alle hoeken en gaten van ons huis. Mijn toestemming had ze niet, want ik wilde vrienden met je zijn. Hoe dan ook, jij en je familie bleken niet bestand tegen de blauwe korrels en regelmatig rook ik jullie dood. En soms, als ik mazzel had, zag ik je broer of zus langzaam sterven, terwijl hij of zij tergend traag terug achter mijn koelkast toog. Wanneer het lichaam de gaten en kieren van mijn keuken niet redde, had ik in ieder geval de kans om een kleine R.I.P.-ceremonie te houden om het lichaampje daarna in de prullenbak te donderen. Sorry dat de dood ons ook nu weer samenbracht.

Onze vierde ontmoeting voltrok zichzelf weer in het buitenland. Sulawesi bleek jullie thuisbasis. Jullie waren overal: op straat, in de goot, in restaurants, in de berm. En in een bank in een guesthouse. Eén van jullie had daar een fenomenaal vet parcours aangelegd. Dwars door de bank heen. Jullie waren niet bepaald ondervoed dit keer en sjeesten jullie dikke lijven door de bank heen. Ik was zelfs even een beetje bang. De dood bleek ook nu niet ver weg te zijn. Ik vond je neef op straat, die het harde straatleven in Sulawesi niet overleefd had. Ik nam een foto van zijn kapotte lijf om het vervolgens op Facebook te posten om hem toch nog iets van erkenning te geven voor zijn leven op onze aarde.

Tijdens mijn reis door India de afgelopen maanden zag ik je regelmatig. We weten elkaar steeds vaker te vinden, nu jij doorhebt dat ik me vaak in onhygiënische omgevingen bevind en ik me niet meer bang laat maken door je onverwachte pop-ups van die dikke staart van je. Immers, we zijn nu al bijna 25 jaar vrienden en onze ontmoetingen worden steeds gezelliger.

Daarom besloot ik vorige week dat het tijd werd voor een echte ceremonie om ons samenzijn officieel te maken. Ik moest een heel eind van het gebaande pad af, maar zoals je inmiddels weet heb ik veel voor je over. Het kostte me een paar dagen reizen en enkele uren zoeken maar het was me gelukt. Daar stond ik dan, voor jullie paleis: de rattentempel in Deshnok. Ik moest mezelf met een Chai-tea heel even mentaal voorbereiden op onze ceremonie, maar daarna was ik zover:

Schoenen uit. Sjaal om mijn schouders. Adem in en uit en daar ging ik. Op blote voeten de tempel in. En daar was je, omgeven door duizenden van je vrienden en familieleden. Jullie waren overal, in alle hoeken, gaten, nokken en kieren. De hele vloer vol. Klein, groot, oud en dik, jong en energiek. Levend en sommigen wederom dood. Rennend, spelend, slapend, etend en drinkend. Ik zal het je maar eerlijk zeggen, de angst schoot weer in mijn keel en het duurde even voordat ik gewend was aan de drukte van jullie bestaan. Ik deed een gebed voor jullie, samen met honderden Hindoeïstische aanbidders, waardoor ik me eindelijk even niet meer alleen voelde in mijn bewondering voor jullie volk.

En toen kon ik het aan. Ik ging door mijn knieën, raakte de koele en bepoepte vloer aan en streek neer in Lotus-zit. Ineens was alle angst verdwenen. Alsof smerigheid, snelheid en onverwachtheid niet meer bestonden. Ik vertrouwde jullie volledig. Ik kon bijna niet geloven waar ik was en wat ik deed. Ik sloot mijn ogen. Haalde adem. En was helemaal waar ik was. Samen met jou. Eén.


Tot de dood ons scheidt.

Van horrible weer terug naar incredible India

Over piemels en waarom ik ook alweer hier wil zijn, the story continues, full of ups and downs…

Na de haat-liefde-ervaringen in Jaipur wordt het tijd om mezelf weer bij elkaar te rapen, te kappen met zeiken, normaal te doen en de volgende ochtend in de zogenaamde toeristenbus te stappen richting Pushkar. Ik twijfel een beetje over hoe ik het principe van “the touristbus” dien te interpreteren want volgens mij doet India daar helemaal niet aan. Wel qua prijs overigens. En ja hoor, na met 8 westerse backpackers de reis te starten, gaat na precies 53 seconden rijden de deur open voor een dozijn Indiërs die HEUS niet dezelfde prijs hebben betaald voor deze reis. Maar whatever. Ik heb ze er stiekem liever wel bij dan dat ik met alleen blanke koppies hier zit. Avontuur gegarandeerd.

Tijdens de stop bij een wegrestaurant moet ik ineens 25Rp betalen voor een Chai Tea, terwijl ik tot nu toe echt OVERAL in het hele land waar dan ook 10Rp heb betaald. Ik zit duidelijk nog in de chagrijnige modus want ik weiger. 10 kan ie krijgen. Ik laat de afzetter zeker net zo chagrijnig achter. Maar ik geef er even geen reet om. Dat ie t uitzoekt met z’n afzetterij. En ergens in m’n achterhoofd realiseer ik me ECHT wel dat ik nu moeilijk doe over een paar cent, let wel, we hebben het hier over 35 eurocent versus 14 eurocent, maar ik trek het gewoon niet meer. Ik stap de bus in en nu ben ik helemaaaaal onderwerp van gesprek en aanstaarderij. Ja An, dat heb je echt zelf gedaan dit keer… De chauffeur draait zich zelfs ijdens het rijden om en schuift het raampje dat ons scheidt open om met me te ouwehoeren. Let even op de weg ajb 🙂 vervolgens zet de beste man ons overigens niet af bij t busstation in t centrum van de bestemming maar een heel eind verderop zodat we een riksja moeten nemen. Aardig van hem.

Ik heb drie keer gebeld met de guesthouse-ashram waar ik wil slapen en drie keer verschillende info gehad (no dormavailable, yes we have single room available, yes we have dormroom available) dus het zal weer eens spannend zijn hoe deze grap afloopt. En ja hoor, nee, de dorm bestaat niet maar er is wel een 2persoons-kamer vrij. Kom maar door. Het is een heerlijke rustige plek met een tuin. Als ik ‘s ochtends tijdens zonsopkomst na mn meditatie op m’n yogamatje stap, word ik vergezeld door een bende aapjes. Zeker weten inspirerend om zo je asanas te doen. Behalve downward dog dan, want daarvan raakt een van de baby-aapjes steeds in paniek en dan begint ie te krijsen en springen. Ik weet niet zeker of ik nog veilig ben dus daal 1 verdieping af. Maar ja, de aapjes volgen me gewoon met de zonnestralen waar ze blijkbaar naar op zoek zijn. Terwijl de andere bewoners foto’s maken van mij tussen de apen, probeer ik me te concentreren op m’n ademhaling. Maar ik kan alleen maar denken aan aap-aanvallen op m’n kamersleutel en zingende iPod dus dit wordt niks 🙂 echt afgeleid ben ik overigens pas als ik een van de staff-leden met een wapen op t dak naast me zie (!!!) WTF? Hij ziet m’n verschrikte gezicht en probeert me gerust te stellen “is for monkey!”. Dat mag ik hopen vrind! Superontspannend, yoga in India, ik zeg het je.

Later op de ochtend strijk ik neer bij het prachtige glanzende heilige meer van Pushkar. Dit is een pelgrimsoord, omdat het best bijzonder is dat er een meer is, midden in de woestijn. Komt omdat Brahma de God een lotusbloem heeft laten vallen hier en daardoor was er ineens water. Goed verhaal. Heilig water dus en tijd voor een gebedje en een blessing. Of moet ik zeggen een nieuwe kans om afgezet te worden? Terwijl ik de namen van mijn 4 liefste familieleden opnoem, kan ik de dollartekens in de ogen van de Baba bijna zien. En ja hoor, hij vraagt hoeveel ik wil geven voor het geluk van mijn gezin. Ik zeg hem dat ik het niet ga zeggen, dat het privé is. “Then it no work!”. Ja doei ouwe. Commerciële spiritualiteit werkt überhaupt niet gast. Hij vindt dat ik 100Rp moet geven per gezinslid. Het zal me een worst wezen. Ik blijf bij mijn punt en uiteindelijk maakt ie de blessing toch af, al is het maar de vraag of mijn familie nu ooit gelukkig zal worden volgens Baba. Volgens mij zíjn we allemaal al behoorlijk happy dus ik maak me geen zorgen. En ja hoor, als ik even later bij de donation box sta, begint hij te sputteren: “You promise me 500Rp!”. Aargh! Ten eerste beloof ik NOOIT iemand iets en ten tweede lieg jij nu en volgensmij is dat ook niet heel spiritueel van je. Stommerd!

Na drie dagen op deze heilige plek gebleven te zijn, waar het naar mijn idee toch ietsje te volgepropt is met zowel locals als toeristen om echt bij te kunnen komen van dit gekke Noorden, stap ik ‘s avonds weer in een lokale nachtbus richting mijn volgende bestemming. Maar niet nadat ik een lift van een lokale jongen richting het busstation heb geweigerd. Ik baal als ik me realiseer dat ik mijn vertrouwen in de medemens duidelijk verloren ben in de afgelopen twee weken, normaal zou ik zo’n aanbod echt niet afgeslagen hebben namelijk. Dan dus maar een lift met een riksja. Die 2 min duurt maar waar ik wel 100Rp voor betaal. 20Rp zou gepaster zijn. Oooooh ik begin weer te borrelen. Wanneer ga ik weer aardige Indiërs ontmoeten? De emmer zit inmiddels behoorlijk vol. Gelukkig is mijn bus de bom: er zijn drie type slaapplaatsen: met een deurtje afgesloten hokjes voor 7 euro, met gordijntje voor de 6 euro betalers en pushback chairs voor de 5 euro betalers. Smoezelig&gammel is het thema van deze bus en dat geldt ook voor de vermoeide chauf die, terwijl hij lui uitgestrekt over het stuur heen ligt, opmerkt dat ik wel erg knap ben. Ga jij nou maar slapen en zorg dat je me heelhuids in Udaipur krijgt ja. Ik heb een 1p bed, helaas zonder gordijntje aan de straatkant, dus er zullen ongetwijfeld Indiers zijn die zullen gaan genieten van dat slapende meisje, maar ik mummificeer mezelf met mijn goddelijke 2-persoons lakenzak en niemand zal ooit weten dat het een vrouw was daar bovenin. De chauf is echt de beste ooit en rijdt ons heel relaxed veilig en toch snel naar bestemming dus vergeef me voor mijn vooroordelen van zonet.

De aankomst van de bus is 5AM, dus ik ben blij dat de deur van m’n gereserveerde hostel open is en ik een paar uurtjes op een klein 1m kort houten bankje bij de receptie kan slapen. Mijn lichaam heeft steeds minder meters nodig om in slaap te kunnen vallen blijkbaar. Daarna een paar uur in een dormbed boven en als ik om 13u pas wakker wordt, nog steeds totalloss, realiseer ik me dat ik echt moe ben. De overtollige energie die ik bij m’n bezoek aan dr. Ayurveda nog voelde toen ik in Zuid India was, is ver te zoeken. Deze noordelijke provincie trekt me leeg. Ik denk te weten wat het is: het gebrek aan warmte. Je nergens echt welkom voelen, tenzij het gezien worden als een seksueel object je het gevoel geeft welkom te zijn… Ik vind het jammer, moeilijk, maar herinner mezelf er aan hoe alles tijdelijk is. Things wíll change, they always do! En ja, een beetje warmte voel ik weer als ik op aanraden van een oud mannetje op straat bij restaurant Anna binnen loop en vertel hoe ik heet. De lach op het gezicht van de eigenaar is groot: “You owner of restaurant! You come anytime!”. Ja hier ben ik extra welkom en ik voel heel even weer die bekende blijdschap in m’n buik. Zouden ze in deze stad dan wel aardig zijn? Ben ik hier veilig van getrek, gestaar en onrespectvolle benaderingen met piemels? Ik krijg zowaar hoop dat ik het ergste van Rajasthan achter de rug heb.

Maar niks blijkt minder waar. Warmte voel ik namelijk ook achter me, als ik later die dag in een prieeltje aan het prachtige meer m’n meditatie doe en achterom kijk. Iets teveel warmte…
Blijkbaar wonen hier de beveiligers van het fenomenale Royal Palace. Ik zeg het nog eens, zodat je het zeker goed gelezen hebt: beveiligers. En komen ze allemaal net terug van hun ochtendshift. Tsja, als ze dan een blanke vrouw aantreffen aan het einde van hun tuinpad, die stil zit met haar ogen dicht en een ademhaling op standje zen, dan is het blijkbaar tijd om haar aandacht te trekken. Met zijn allen tegelijkertijd. Of misschien lopen ze altijd wel half naakt door de tuin en wassen ze hun piemel altijd wel 15min lang, uitgebreid, met lange halen, terwijl ze veel geluiden maken in de hoop dat die blanke vrouw omkijkt. Ik heb net een half uur gemediteerd op compassie en vertrouwen, omdat ik het terug wil vinden, en weiger me weg te laten jagen. Ze doen maar. Ik doe mijn uiterste best om alles wat me niet bevalt buiten me te houden. Mijn Amsterdamse bestie Maartje en haar liefste vriend René komen net op dat moment aan om me te knuffelen en vragen me of ik bijgekomen ben van alle heftigheid in Delhi. Ik wijs achter me naar de naakte man in de deuropening en Rene ziet gelukkig (?) ook wat ik zie. Ik heb het niet verzonnen.

Het lukt me alleen niet meer om de narigheid buiten me te houden. Ik kan niet meer. Ik heb het gehad. Ik heb het echt he-le-maal gehad. India is al druk genoeg van zichzelf. Een aanslag op al je zintuigen. Het vraagt van je dat je de hele dag alert bent. Door alle zintuiglijke ervaringen raakt je systeem vanzelf al overprikkeld, zonder dat je iets doet. Laat staan dat je over straat loopt. Interactie hebt met mensen. Het getoeter, de riksja’s die je om de oren vliegen, de koeien die je ophouden, het CONSTANT aangesproken worden (lees: lastig gevallen worden) met de drie dodelijke vragen (You from? How long India? Where going?) en vervolgens de impliciete vraag of je geld wilt uitgeven (You look my shop? You want riksja?), de geur van plas, poep en weggerot afval, alles gewoon. Dat is gewoon wat India van je vraagt: energie. Dat is prima weet je, dat is echt prima. Dat kan ik aan. Dat heb ik de afgelopen maanden prima gedaan. Omdat er altijd genoeg moois om de hoek was. De balans was er uiteindelijk altijd. Maar dit soort stomme seksuele dingen gaan én over mijn grenzen én zetten me de héle dag in fight flight-modus want je weet nooit wanneer je hier weer een piemel in je gezicht geduwd krijgt. Ik ben kapot. Ik ben doodmoe. Ik wil dit niet meer. Echt niet. Ik heb GEEN IDEE hoe ik hier nog langer mee kan dealen en ik heb vooral GEEN IDEE meer wat ik hier nog doe. Hoezo was ik zo verliefd op dit land? Wat een ellende. Hoe lang wil ik mezelf dit nog doen voordat ik besluit om deze provincie te verlaten?

Na een hele fijne Skype met de
liefste Annemiek dringt het pas echt tot me door hoe ziek het eigenlijk is hoe ik hier constant als een seksueel lust-object behandeld wordt. Maar ja, blijkbaar ben ik als vrouw alleen ECHT een belediging. Ze nemen aanstoot aan me. Zoveel is duidelijk. En dat is niet mijn en ook niet hun schuld. Ik kan boos en geïrriteerd zijn, maar this is it. Take it or leave it.

Ik ben dan ook HEEL blij als Rich, m’n IBFF en redder in nood, telefonisch aankondigt dat ie naar Udaipur komt en me wel wil redden door vanaf nu m’n Husband te spelen. DEAL! Ik wil m’n rust, ruimte en onafhankelijkheid terug. Blijkbaar heb ik hier een man nodig om onafhankelijk te zijn. Interessante vorm van feminisme. Als hij me een dag later bij aankomst aardig chagrijnig aantreft, luistert hij eerst lief maar geeft hij me er vervolgens van langs. En terecht. Het moet maar eens afgelopen zijn met m’n gezeur. Al het lijden veroorzaak je zelf door niet te accepteren wat er is. Dat was ik blijkbaar even vergeten, ondanks dat ik er drie weken geleden nog 10 dagen intens in getraind ben. Het feit dat ik dit niet wil accepteren kost me al mijn energie. Zonde. En dus hou ik er mee op. Ik trek me een ochtend terug, have a word with myself, spreek nieuwe intenties uit die te maken hebben met accepteren en loslaten en ik bedenk een nieuw mantra want DIT is nou eenmaal de cultuur, en hoe moeilijk ik het soms ook vind, ik kan het niet veranderen. En misschien was ik ook even vergeten dat ik een maand geleden nog zeurde dat ik het saai vond en meer geraakt wilde worden. Dan kun je het krijgen ook mevrouw Lplrs. “They may touch and show, as long as after that, they’ll go”. Duidelijk. Ik haal drie keer diep adem en ben weer klaar voor de wereld.

Het is overigens een ware verademing en het helpt ENORM om de dagen daarna in Udaipur verder door te brengen met Maartje, een van m’n beste vriendinnen, en haar lieverd die ons beschermt tegen alle slechte mannelijke Indiase invloeden. Ik voel me steeds meer ontspannen, des te langer ik met ze ben. Eindelijk. Zucht.

Wanneer ik weer met Rich over straat ga, geeft hij iedere Indier die me ook maar aan durft te kijken een mega-nasty blik terug. Alsof hij ze om wil brengen. Ik lach er om en voel me 10 kilo lichter nu ik het niet meer alleen hoef op te lossen. He’s got my back.

Samen met Maartje geef ik de Indiase yoga nog maar eens een kans. En weer blijken er nieuwe regels te zijn onder weer hetzelfde motto: “dit is de échte yoga”. Ik moet er steeds maar weer om lachen. Vooral als hij zegt dat de Side stretches goed zijn tegen ons probleem in The West, “obesitas”, terwijl de beste man zelf aardig wat overtollige kilo’s aan zijn buik heeft hangen. ’s Avonds kruipen we samen de daken op voor een maaltijd en soms een biertje. Ze hebben hier nergens een alcohollicentie, alcohol kun je alleen krijgen bij Wine Shops. Maar de meeste restaurants hebben wel Apple juice 🙂 en dan krijg je bier. Of een theepot gevuld met bier. Daar doen we niet moeilijk over. We kijken James Bond’s Octopussy, omdat hij hier bijna 40 jaar geleden is opgenomen, maar natuurlijk wel op z’n Indiaas. Dat betekent met ten minste 9 keer vastlopen en steeds moeten doorspoelen. We lachen er om, want zelfs een film kijken in India kan niet zonder problemen. And I love it again 🙂

“You Dutch?”, hoor ik de riksja-slijters in deze stad herhaaldelijk tegen me zeggen. Huh? Ik hoor ook ineens mijn eigen taal om me heen terwijl ik amper 3 Nederlanders ben tegengekomen in al die km die ik inmiddels al heb afgelegd in dit enorme land. Maar goed, hier zijn jullie dus 🙂

Iedereen die me verder nog lastig valt op straat met de 3 vragen krijgt zinloze antwoorden terug (“I am from the moon” en dat verstaan ze dan niet of begrijpen ze niet, dus vallen ze stil) dus het wordt steeds stiller om me heen. En ik laat dat wat rest langs me heen gaan.

De koeien en stieren hier zijn opvallend genoeg wél relaxed. Ik kan ze aaien en ze kijken me ontspannen aan. Claus the cow is m’n favoriet. Groot, lief, zacht en met enorme oren. Als de koeien zich ‘s avonds verzamelen bij het paleis om te gaan slapen en hun kalfjes zich tegen hen aanvleien en de straathonden er omheen kruipen, dan smélt ik echt. Dit is pas echt warmte. Kon ik er maar naast gaan liggen..

Als ik de dag erna, ook op aanraden van Maartje, mezelf een dag kietel aan het zwembad van Miss Octopussy herself, om me even af te kunnen sluiten van de gekte buiten de muren van dit paleis, voel ik dat ik hier goed aan doe en dat ik echt goed op mezelf moet passen in dit land. Een beetje glam-packen op zijn tijd houdt me stukken beter op de been. En het is heerlijk om even gezond groenterijk te eten, ook al raak ik daar wel steeds van aan de shit. Sorry, TMI. Geloof me, het is niet het Indiase straatvoer wat me ziek maakt, de GGD kan me wat.

Mount Abu
Na de pracht en praal van de paleizen in Udaipur (waarvan ik er maar 2 heb gezien omdat ik het te druk had met me wapenen tegen de Indiers én mijn belastingaangifte, tsja, dat moet namelijk ook gebeuren), neem ik samen met mijn husband de bus naar Abu Road en daarna naar Mount Abu. En wat blijkt? De wijde pijpen zijn terug! Yes! Evenals de oorbel bij de man, twee zelfs, lekker vrouwelijk in de vorm van een bloem! Én de lange oorharen! En ehm de snor bij de vrouw ook vrees ik. De riksja’s zijn verdwenen. Vind ik echt niet erg. Kunnen ze me ook niet om de 2 meter vragen of ik er een wil. Oké, hier komen duidelijk NOOIT Westerse toeristen. Ik kom hier eigenlijk ook alleen maar omdat een aardige local in de trein tegen me zijn dat het de mooiste plek van de provincie is. Lokale bus, lokaal busstation en kom maar op met die aanstaarderij. Als ik door n busraam n baby’tje kriebel en tegen haar klets, verzamelen de dames die fruit verkopen zich om me heen en praten ze me na. Haha ja Nederlands koetie-koeitie hebben ze zéker nog niet eerder gehoord. De schoonmaker veegt het afval en de koeienshit echter zo over m’n voeten heen. En bij t restaurantje naast t busstation krijg ik zo een dosis after-lunch-speeksel over m’n tenen als een gast zijn mond spoelt. Yo, lekker. Lijkt me een goede uitnodiging om daar te eten. En ik zeg het je, ik heb nog NOOIT zulk lekker smakelijk verse chapati op, wow!

Ik heb nog niet verteld hoe ernstig ze hier voordringen trouwens. Tering! En ik vind het me een partij irritant! Vooral als je een busticket nodig hebt en iedereen voordringt en die bus volloopt. Het interesseert niemand iets dat ik al langer sta te wachten. Gewoon voordringen en je geld op de balie leggen. En dus rest er mij niks anders dan dat ook maar te doen. Beuken. M’n broers zouden trots op me zijn.

Center Parcs. Dat is het eerste dat in ons opkomt als we na een lange rit in de bus boven op de berg uitstappen. Dit is duidelijk een aangelegd dorp op een toeristische plek. Er is zelfs een chocoladewinkeltje dat chocolade-eiffeltorensverkoopt. Dat is precies wat je verwacht bovenop een berg in de woestijn van India. En waar je zin in hebt ook. En het is HEEL raar dat geen enkele van alle Center Parcs guesthousesplek heeft voor ons. Heel raar. Ze spreken geen Engels hier, kennen alleen het woord “booking”. En ja dat hebben we niet dus blijkbaar houdt het dan op. Via het toeristenbureau, wat natuurlijk ook niet meer is dan een stoel en 8 jaar oude folders, krijgen we hoop: “There is one hotel that serves foreigners”. Ik voel me zowaar gediscrimineerd. Anyway, een uur later beklimmen we met de gids van het discriminatie-hotel een sunset top van de berg en zien we zelfs twee luipaarden op n andere bergtop! Wow! Discrimineer me maar, ik ben rete-blij. Bovendien heeft t hotel een labrador die ik doodknuffel en twee superleuke kids die op schoot kruipen nadat ik alles in de strijd heb gegooid om ze ervan te overtuigen dat ik lief en leuk ben. Ze lachen als hun papa (onze gids) en ik proberen om te bok-springen over elkaar. Ik ook want ik kan het blijkbaar niet meer dus donder tegen de auto. Haha, ik heb duidelijk energie over vandaag.

The busride from Mars
You win some, you lose some. Er blijkt geen nachtbus of nachttrein te zijn vanuit Mount Abu richting Jaisalmer. En we willen daar toch echt morgen zijn. En dus verlaten we MountAbu helaas binnen 12u na aankomst alweer om ‘s ochtends om 6u de lokale bus te nemen. Dit is het gevolg van onvoorbereid reisgids-loos reizen. Maar het is niet erg, we will win somemore along the way. Vrouwelijke busreizigers krijgen overigens 30% korting op hun ticket: te gek! Ik weet niet wát de frisse berglucht en die twee luipaarden met me gedaan hebben maar ik ben duidelijk weer opgeladen. Ik vind het niet eens erg meer dat we 12u lang bekeken worden vandaag! En, aangestaard worden omdat we er blijkbaar uit zien als wezens van een andere planeet is VEEL minder erg dan aangestaard worden omdat je een seksueel lustobject bent. Alhoewel ik het wel heftig vind dat sommige dames hier niet gerustgesteld kunnen worden met een glimlach: de argwaan in hun blik blijft. Je kunt je bijna niet voorstellen dat er nog plekken op de wereld zijn waar je zo anders bent in hun ogen, terwijl ik geloof dat we toch allemaal hetzelfde zijn. Aan aandacht geen gebrek hier. Eenmaal in de bus al helemaal niet. De ramen zijn ook te smoetzig om door naar buiten te kijken dus heel veel keus buiten naar elkaar kijken is er niet.
We komen door dorpjes waar héél traditioneel geleefd wordt en het voelt een beetje als het noorden van Vietnam. Kindjes weer op hun hurkjes rustig poepend langs de weg. Even een plasje doen midden op straat. Niemand spreekt Engels. We worden echt voortdurend bekeken. Iedere keer als een groepje staarders uitstapt en we denken dat we het gehad hebben voor vandaag, stapt er weer een nieuwe bups in en begint het kijk-naar-die-twee-blanken-daar-spektakel weer van voor af aan. M’n iPod is natuurlijk bijzonder voor ze, maar als we zitten te schrijven in onze dagboeken zijn we helemaal raar. Ze proberen mee te lezen en lijken uitgebreid te bespreken wat ze hiervan vinden. De wegen zijn niet allemaal geasfalteerd dus soms vliegen we door de bus heen maar dat draagt alleen maar bij aan ons gevoel: this is the local experience. Een dude naast me steekt een peukie op in de bus en paft hem rustig op terwijl hij in Lotushouding zit. Sure, why not, dit past helemaal in het beeld. Op de busstations is het vanzelfsprekend niet heel anders en staart iedereen ons aan. Ik kan hier echt niet zonder mijn husband over straat en loop inmiddels zelfs met een hoofddoek op. In de bus verstop ik zelfs m’n gezicht met m’n sjaal wanneer ik na een dutje wakker word en recht in de ogen van de staande man in t gangpad kijk. Hoe lang zou die al naar me aan het kijken zijn? Soms kijken ze weg als je terugkijkt maar vaker niet. Tsja. Het zijn 12 fascinerende uren in deze bus door de woestijn, ik kan het niet anders zeggen.

We arriveren in klein woestijnstadje, bekend als the Golden City, omdat alles wat hier staat, gebouwd is van geel zandsteen. Inclusief een prachtig 800 jaar oud fort waarbinnen allerlei kleine straatjes heel veel winkeltjes en cafeetjes zijn gebouwd. Vanaf de muur van het fort heb je een prachtig uitzicht over de stad en de woestijn. En de legerbasis. Toch handig, 30km vanaf de grens met Pakistan 😉 straaljagers zoeven door de wolkeloze lucht, best een bizar contrast met de oudheid van deze gouden stad. Oh en veel met-verlof-zijnde-militairen in uniform op straat. Not too bad. De mannen hebben enorme snorren, inclusief krullen aan de zijkant, niet omdat ze zo nodig hip willen zijn, maar omdat ze er hier gewoon zo uitzien. Kleine kinderen dragen flinke strepen zwart oogpotlood “omdat het mooi is”, zelfs kleine baby’tjes. Best raar maar ik vind het stiekem ook mooi. En GOD wat is het hier HEET! Ja duh. Je bent in de woestijn slome. Het is hier meer dan 40 graden alhoewel het niet zo aanvoelt vanwege het uberdroge klimaat. Alhoewel je tussen 12 en 3 echt no way in de zon wilt zijn. Ik pas mijn tempo aan. Komt goed uit want ik was toch al moe van alles wat ik eerder beschreef. Ik drink zelfs, en nu gaan m’n vriendinnen lachen, jawel, cola om op de been te blijven. India laat niets van je voedingsprincipes heel.

Chai, chappati en kamelen: dit is de werkelijke reden van ons bezoek aan deze stad. We rijden eerst per jeep 40km de woestijn in. Onze chauffeur, die het duidelijk op mij voorzien heeft vandaag, laat me na slechts een keer zeuren onze jeep besturen. Soms moet je je charmes ook gewoon gebruiken vind ik. Ik kruip gauw op de rechterstoel, want hier rijden we natuurlijk links en dus schakel ik heel onhandig met m’n linkerhand en haal ik rechts in. De chauf maakt van de gelegenheid gebruik om een uur lang telefoontjes te plegen en zegt alleen af en toe dat ik rustiger moet rijden. Je ziet de mensen langs de weg raar opkijken als ze zien dat niet de mannelijke Indiase gids maar een onbekende blanke vrouwelijke dame de jeep bestuurt.

Tijdens de twee daagse kameel-safari staar ik uren naar die grote lieverd waar ik bovenop zit. Mister Lucky. Die lieve lange zachte grote oren, met al dat haar erin. Die enorme grote glanzende donkere ogen. Ik verdrink erin. Die heerlijke suffige kop. Als ie gaapt zwijmel ik bijna van hem af. Het gevoel van mijn voeten in zijn vacht terwijl hij me voorthobbelt. En die gekke geluiden als ie t ergens niet mee eens is. Ik val volledig voor hem en voel me zijn Mrs. Lucky. Ik ben echt op hem! Zelfs als ze eten en hun voer steeds terug laten komen uit hun maag en herkauwen vind ik ze nog leuk. Ze zijn een wonder. De safari is zoals ie hoort te zijn. Een verlaten woestijn, enkele uitgestrekte vlaktes met hertjes, koeien en gazelles om ons heen. Oh en een windmolen hier en daar, maar dat kan ik in dit vervuilende land alleen maar goedkeuren. Aan het einde van de dag eindigen we bij een duin waar niets en niemand is. Alleen maar zand, heel veel hertjes en een waanzinnige zonsondergang. Niet heel veel later trekt een sterrenhemel zich over ons heen, eentje waar ik geen genoeg van kan krijgen. Dit is hemels. Totdat ik ineens intens misselijk word van het zogenaamde gefilterde water. Niet zo heel erg gefilterd denk ik. Oef ik kan m’n maaginhoud met moeite binnenhouden maar moet het eten vanavond laten staan. Voel me schuldig tov Cam, onze kameelhouder én kok. Ik vind hem waanzinnig, hij is pas 18 jaar maar regelt het allemaal voor ons. Hij heeft zojuist twee uur gezwoegd op een megaverse maaltijd, maar ik kan er niks aan doen. Hij maakt ons bedje op tegen de duin aan. Ik strijk neer onder de dekens, voel een fris windje langs m’n neus en staar met m’n blije kraaloogjes naar de naakte verlichte hemel boven me. Ahhh dit is echt letterlijk en figuurlijk hemels. Ik heb echt NIKS meer te wensen. Zelfs niet als ik wakker word omdat er een hond over m’n tas pist. Fine. Ik lig onder de sterren en het maakt me níks uit. Check die sterren! Rond 6u word ik wakker omdat het licht wordt. Compleet met een Lion King zonsopkomst: een megagrote rode bol met licht. Zucht. Perfecte voorwaarden voor m’n ochtendmeditatie. Vooruit, als je de 888 vliegen wegdenkt dan 🙂 Cam komt me verblijden met verse Chai en een heerlijk ontbijtje. Op bed. Gebakken quinoa met bruine suiker: mijn superfood-hartje begint sneller te kloppen. Pas een uur later komt Cam terug met onze kamelen, die waren blijkbaar een behoorlijk eind weggestruind. Ik ben helemaal blij als ik m’n lieffie weer terug zie en Cam blijft maar lachen als ik daarna, terug in het zadel, liefdesliedjes voor mijn Mister Lucky zing. We komen langs een dorpje waar echt niks is. Geen elektriciteit of stromend water. Alleen maar heel veel ongewassen kindjes met véél stof in hun haar. Ze lijken er bijna blond door. “You Rupee? Schoolpen? Chocolate?”. Als ik niet oppas trekken ze de sieraden van m’n enkels en vingers. Ze willen alles hebben. Wat ik best snap. Ik word uitgenodigd voor Chai in een van hun mini-huisjes (slechts een kamertje) en jawel hoor, het hele dorp loopt uit voor deze witte tante. Rich blijft buiten en leert de jongens hoe ze foto’s kunnen maken met zijn toestel, wat ze echt waanzinnig vinden, ze blijven maar klikken. De kinderen die naar school moeten worden bruut weggestuurd want “teacher is waiting!”. Als ik iets niet moet drinken is het wel deze Chai van eh wat-voor-soort-water-is-dit? Maar ja, veel onbeleefder kan ik het niet maken dus laten staan is niet echt een optie. Laten we dan maar bidden dat ze de thee even laten koken. Een van de baby’tjes huilt en ik wil troosten maar ik ben natuurlijk heel eng, zo lang, zo wit, en dus wordt ze er niet gelukkiger op, schommelend op mijn schoot. Ik vind het soms best shit dat ik zo anders ben. Ik wil knuffelen met baby’s en zingen met de kinderen ipv eerst een uur aangestaard en uitgekleed te worden voordat ze aan me gewend raken. Goed. Niet perse first world problems, dat realiseer ik me ook wel. Mister Lucky krijgt een hele dikke knuffel als ik enkele uren later weer afstijg en vriend Cam een dikke tip. Dit was namelijk echt een behoorlijk bijzondere behoorlijk fantastische ervaring. Thank you India. You are pretty incredible again. Volgensmij zijn we weer oké met elkaar.

Na de kameelsafari is het heerlijk bijkomen in The Golden City. Bovenop de muur van het fort zien we het slome woestijnleven voorbij glijden. Ik kan bijna in de bijkom-stand na twee weken gewenste avonturieren en ongewenste heftigheid, maar moet nog even één laatste ding fixen: Rich is jarig vandaag dus samen met de café-eigenaar smeer ik hem stiekem per scooter op en neer naar de bakker die m’n taartjes beschrijft met veel te zoet glazuur. Ik mag ook los met het zakje roze en tuig de taartjes op. Terug bij t cafeetje krijg ik 6 andere bezoekers mee om Happy Birthday te zingen voor m’n blije husband. But the party aint over till its over since this is India, want savonds in een restaurantje tref ik een jarig meisje van 9 die niet van mijn zijde wil wijken. Ze geeft haar feestje hier en de hele familie is invited. En deze twee blanken natuurlijk ook. Ik móet mee dansen en alle kids om de beurt optillen en rondzwieren. Helemaal in m’n element. Er is ook een dikkerdje (in een harig-roze-jurk) en die steelt natuurlijk meteen m’n hart dus ik boost d’r zelfvertrouwen en blijf maar zeggen hoe goed ze kan dansen. Na een uurtje sjouwen heb ik ook hun hart gestolen en komen ze steeds met me zoenen met bijbehorende “I luf joe”. Mijn dag kan ECHT niet meer stuk. Als de taart aangesneden moet worden, vragen ze de andere jarige, Rich, erbij om dit grote moment door te hakken en vervolgens komt de 9-jarige wijsneus rond met de taart om wat bij iedereen in z’n mond te stoppen. Ineens willen alle kinderen allerlei soorten eten in m’n mond stoppen maar dat lijkt me een beetje overdreven. Moeder stopt ook nog cake in m’n mond. Das oke. En de jarige smeert de cake op m’n wangen. Ik vind het wel best 🙂 Rich glundert. Volgens mij helemaal niet zo verkeerd, zon Indiase verjaardag in de woestijn.

Nu hoeven we niets meer en niemand hoeft meer iets van ons. Eindelijk tijd om alle heftigheid van de afgelopen weken te verwerken. Het is allemaal nogal wat en ik merk al dagen dat ik bom-vol zit. Maar als je nergens echt helemaal kunt ontspannen op een plek waar niks is, omdat iedereen de hele tijd aan je trekt of naar je staart, of omdat je je steeds verplaatst, dan kun je niet echt ontladen. Alle ervaringen hebben verwerkingstijd nodig en blijkbaar heb je ook een plek nodig om dat te kunnen doen. Ik ben blij dat het eindelijk weer kan. Ik heb veel geschreven maar toch voelt het alsof de prikkels en ervaringen zich maar bleven optellen. Maar nu niet meer. Nu is er rust. De woestijn doet me goed en de relaxte vibe van de bewoners van Jaisalmer ook. Ik staar in de leegte van de woestijn en de grens met Pakistan en laat het allemaal voorbij razen terwijl ik m’n blogs typ. Jezus wat intens allemaal. En wanneer zou ik besloten hebben om te gaan omdat het écht teveel was? Everything bleek maar weer eens impermanent te zijn en de aanwezigheid van m’n IBFF veranderde alles. It’s good to have a husband around in this country.

India is gek en te gek soms, in beide betekenissen van de uitdrukking. Je houdt er van en blijkbaar haat je het soms. Maar dat is goed. Tenminste, ik vínd het goed. Dit is wat ik wilde. Geweldige en superstomme dingen gebeuren soms binnen 2 minuten na elkaar. No craving, no aversion, everything is impermanent. Het is net alsof India de uitvergrote versie van het leven is en je hier je lessen in snel-tempo kunt leren. En ik heb duidelijk nogal wat te leren.. Plus, blijkbaar kan ik onze haat-liefde-verhouding wel waarderen, dus ik blijf nog even. The journey is my home.

Vandaag is het Hindoeïstisch Nieuwjaar. Tegelijk met de start van de Lente bij ons. The best of both worlds coming together again. Happy Spring and Happy 2072 to you all.


P.s. Mijn husband blijkt ook nog eens een behoorlijk goede fotograaf te zijn. Alle foto’s op onderstaand adres geven een mooi kijkje in ons leven hier: http://wandererwithacamera.wordpress.com

Dit zijn mijn amateur-kiekjes:


Het heilige meer van Pushkar

Besties Reunited!

Dat past prima

Stunning sunset Udaipur

Claus the cow!

Ik moet vaker zo goed voor mezelf zorgen.

Terugstaarder. Ik weet niet zo goed of het zijn spuug is trouwens, onder het raam.

Dit is wat ik bedoel met mooi en lelijk heel dicht bij elkaar. Dit is India in mijn ogen.

Gratis drinkwater, zo goed.

Dit is hem jongens, m’n nieuwste en enige echte liefde!

Zoek Simba.

Me and my boyfriend ❤

“I luf joe!” Die enorme grijns op m’n gezicht says it all.

Van incredible richting horrible India

“Ik wil graag meer avontuur”, zei ze enkele weken geleden naïef. Be careful what you wish for when in India…

– Met vijf nieuwe vrienden op een Houseboat door de backwaters van Kerala, prachtige rivieren door groene gebieden waar mensen lokaal traditioneel leven.


Prachtig, maar mijn hoogtepunt is het slapen naast zo’n dorpje. Zodra de boot aanlegt voor avondeten en de nacht, spring ik op de kant. Ik speel met het gezinnetje dat onze maaltijd zal bereiden en zie hoe mama binnen 2 sec een kip kilt en slacht. Oef. Ik vind mijn vegetarische-principes weer eens erg prettig vandaag. Ik knuffel met de 11 maanden oude baby en zing liedjes.


Als ik een rondje door dit dorpje doe, spreek ik 2 jonge meisjes aan. Als snel nodigen ze me uit: “Come miss, you see my house”, en binnen mum van tijd ga ik alle huizen van hun familieleden langs. Overal móet ik op de enige stoel of bank zitten die ze hebben en overal is het dezelfde bende in huis. Spullen opgestapeld en ik kan de vloer nergens zien. Overal hangen foto’s aan de muur van goden en guru’s en ik krijg uitleg bij iedere foto. Ik vraag om hun schoolboeken en krijg een Engels textbook te zien waar ik echt van onder de indruk ben: behoorlijk moeilijk Engels (Can I talk to the manager please to discuss our inconvenience?), en aardig wat moraliserende vragen en antwoorden. Voorin het boek een nationalistische tekst en het Indische volkslied, wat ik schoolkinderen ‘s ochtends hoor zingen als ik langs een school loop. Het wakker worden midden in de natuur is zo fijn en een duik in de rivier kan natuurlijk niet ontbreken. Al moet ik toegeven dat het best raar zwemt in dit water, wetende dat mijn ehm ochtendurine hier ook ergens te vinden is. En niet alleen die van mij en ook niet alleen urine vrees ik. Maar goed, als zij hun was hier doen, dan kan ik hier vast ook badderen. Damn wat ben ik dol op het ontluikende Indiase leven in de ochtend.


Ik teken samen met een van de kindjes en als ik op m’n ukelele speel verzamelen de kinderen zich om me heen en krijg ik zelfs applaus. Dat voelt heel fout haha dus ik laat hun lekker spelen, ook al hebben ze blijkbaar nog nooit een gitaar gezien en hebben ze geen idee hoe ze het moeten vasthouden.

– Een werkelijk prachtige oud-Franse kolonie aan de oostkust van India. Hier ontmoet je Indiërs die Frans tegen je spreken en zich voortbewegen op de fiets voor de mooiste oud-Franse gevels.


De stad is verdeeld in een oud Frans gedeelte en de rest is Indisch. Dit is hemels, je loopt gewoon van de ene wereld de andere in. Croissants als ontbijt en daarna een Chai aan de overkant.

Ondertussen blijft het natuurlijk wel gewoon India met levende of geslachte kippen aan het stuur en markten vol met prachtige kleuren en mooie mensen.



Ik start iedere ochtend met een verse Chai op de hoek van de straat en voel me zo thuis bij mijn thee-man die me steeds zo enthousiast begroet. “Morning! Sit down!” terwijl hij me richting zijn mini-zitje gebaard, waar de buurmannen een peukie roken. Dit is echt de beste chai ever en ik vind hem zo lief met zijn stralende lach. Deze plek is perfect.


Voor de honden is het iets minder perfect. Dit is duidelijk de sipste hond die ik ooit heb gezien. Och arm.


Er zijn kerkjes (incl flatscreens overigens) waar ik helemaal rustig wordt en de vrome christen in mij zich gekoesterd voelt en tempels waar ik helemaal kriegel wordt maar tegelijkertijd van onder de indruk ben. Dit is duidelijk the best of both worlds.


– Na de intense 10-daagse-stilte Vipassana (zie andere blog) besluit ik 3 dagen de tijd te nemen om weer te wennen aan interactie met de buitenwereld in Mavallapuram, een klein kustplaatsje in het oosten.
Na onnodig lang in de bus gezeten te hebben richting Chennai en weer terug, simpelweg omdat het blijkbaar in niemands hoofd opkomt dat je ook de weg over kunt steken om daar direct de juiste bus te nemen ipv helemaal terug de stad in te gaan (dit snap ik echt nog steeds niet), arriveer ik met 5 medemediteerders aan t strand. De zoektocht naar een guesthouse kan beginnen. Alles wat ik wil is ruimte. Het voelt alsof we net uit de gevangenis komen dus ik wil SPACE. Vrijheid. Iets anders zien dan die witte muren. Het eerste het beste guesthouse met een dakterras moet het zijn. Als ik vraag of ik mijn kamer mag zien, neemt de eigenaar me mee naar boven. Hij wijst de deur, ik doe hem open en tref 3 travestieten op mijn bed. Ook hallo. Ik kijk vast verbaasd maar zij groeten me liefdevol. Ik zie travestieten alleen maar in de trein hier, waar ze dan in hun handen klappend en roepend rondlopen en mannen betasten en in hun zakken voelen om zo om geld te vragen. Ik begrijp nooit zo goed hoe dit werkt maar ik begrijp ook niet dat ze hier op mijn bed liggen. Ik vind deze wel lief 🙂 en drie uur later zijn ze weg en heb ik m’n vrijheid én privacy weer terug. Tijd om op t dak te gaan zitten en de wijde wereld in te staren. Dat gaat hier prima. De bevolking lijkt zelf niet heel veel meer uit te voeren. Visnetten ontknopen, luieren en vooral heel heel heel veel potjes kaarten. What a life.


– Na drie vredige dagen van bijkomen, onze ervaringen delen (hard nodig, we zitten er zo vol van), wennen aan normale maaltijden en samen uren mediteren bij zonsopkomst en ondergang, ben ik wel weer klaar voor het normale leven denk ik. En ach, in deze meditatieve superheldere relaxte toestand kan ik ongetwijfeld alles aan. Ik heb een vlucht om 9u vanaf Chennai Airport. Vertrek om 6u ‘s ochtends heb ik afgesproken met m’n riksja-chauf. Hij is er niet. Gelukkig vraag ik altijd telefoonnummers als ik iets afspreek en ik krijg hem slaperig aan de lijn. “5 min!”. Tien min later is ie er nog niet, ik bel nog maar eens. “3 min”. Haha ik hou zo ontzettend van de tijdsbeleving van de Indiër. Ik drink nog maar een chai-tje met de schoonmakers van de tempel hier. Een kwartier later vertrekken we. “Wie mediteert, hoeft nooit meer te wachten”, leerde een teacher me ooit. Dat gaat nu wel op dus tijdens de rit die 1,5u zal duren, mediteer ik op de achterbank. Totdat de riksja raar begint te doen. En uiteindelijk stilvalt. Ja hoor, hij is stuk. Tijd om z’n vrienden te bellen, of ik kan beter zeggen, z’n brother, want iedereen hier schijnt elkaars broer te zijn.


Nu wordt het wel wat spannend om m’n vlucht te halen maar de beleving van spanning en stress zijn HEEL anders sinds vorige week. Gelukkig kan ik nog wel realistisch denken dus ik sla zijn aanbod om “te wachten op de riksja van een vriend” af en laat hem een passerende riksja aanhouden. De mannen regelen met elkaar wie hoeveel geld ontvangt en ik haal mijn vlucht op het nippertje. Bijna zonder stress. Deze nieuwe relaxte modus bevalt me prima.

– De grootste volste stad van India (inwoneraantal onbekend vanwege de grootste sloppenwijken van Azië waar niemand kan tellen) stond niet perse op mijn planning, maar na een uitnodiging van mijn IBFF om te vieren dat ik de Vipassana 10 dagen heb uitgezeten, vlieg ik toch het land over voor een nacht in The Taj Palace. Ik ga slapen in een paleis! Van buiten ziet het er al fenomenaal uit, het is een attractie voor vele toeristen om alleen de buitenkant al te zien. Het voelt HEEL raar om met m’n slippertjes en ongewassen verstofte backpackers-outfit langs de beveiliging door de metaaldetector bij de ingang te lopen en raar aangekeken te worden, maar ja, we slapen hier toch echt. Ik weet niet wat me overkomt als we binnen staan. Dit is by far het allermooiste hotel dat ik ooit in mijn leven heb gezien. Ik kan niet geloven dat ik in een bed mag slapen dat werkelijk schoon is, niet aanvoelt als een houten plank, met schone lakens, zelfs een dekbed en….een waanzinnig mooie badkamer met jawel…warm water!!! Dat natuurlijk vanuit een regendouche op me neerdaalt. Shampoo! Douchegel! Handzeep! Een spiegel! Een föhn! Een zachte schone witte badstof handdoek! Ik kan mijn geluk echt niet op en ben 24u sprakeloos door de luxe die me omgeeft. De prinses in mij ontwaakt weer. Wat een cadeau om je op deze manier heel even terug te mogen trekken uit het rauwe Indiase leven en weer even op te laden. Wow.



– Als ik ergens vaak voor gewaarschuwd ben en inmiddels zelfs een beetje bang voor ben geworden door alle verhalen, dan is het de hoofdstad van India wel. Op een doordeweekse ochtend kom ik om 8u per trein aan. Eerste gedachte: “Dat valt reuze mee”. Maar na 3 dagen doffe kille brutale respectloze ellende neem ik mijn woorden terug. Waarom?
1. Ik maak hier kennis met de liegende Indiër: “daar om de hoek hoef je niet te lopen nee, want daar is niks, daar is alleen een parkeerplaats, nee dit is niet meer open, nee dit guesthouse is afgebrand maar ik weet wel een andere, ik moet met je mee de tempel in om je te beschermen voor de apen, dit is een luxe toeristenbus en daarom betaal je meer, “your destination is very far, you can not walk”, “no dormitory only double room”. Ik zeg het je een keer omdat ik het gewoon kwijt moet: flikker op, jullie zijn allemaal vuile smerige leugenaars, nou laat me met rust. God wat lucht dit op en god wat had ik dit graag hardop tegen every single one of them gezegd. My god.
2. We zijn allemaal naar Delhi gekomen om elkaar op te zoeken voor het leukste Hindoestaanse feest van het jaar: Holi. Het festival waar men elkaar zegent met verfpoeder en elkaar happy Holi wenst. Omdat de winter voorbij is, de maan weer vol is en de lente zich aankondigt. Dit feest past bij me en ik zou willen dat we 21 maart thuis ook bewust zouden vieren. Goed, waar beter te vieren dan in de hoofdstad, met vrienden die je in de afgelopen maanden tegen bent gekomen. Ik zeg het je, het is drie keer kut. Sorry maar ik kan het niet zachter zeggen. Waarom? Het begint sochtends om 9u op straat nog heel zacht, lief, met een vinger met poeder over je voorhoofd en een oprechte happy Holi-wens. Dit is zo mooi en ik prijs me gelukkig hoe we zo één mogen zijn met de Indiase Hindoestaanse bevolking in het oude deel van de stad. Maar nog geen uur later is het feest veranderd in een gemeen, hard, fysiek, pijnlijk en naar festijn waar dronken mannelijke Indiërs proberen om zoveel mogelijk vrouwelijke westerse toeristen te betasten (echt overal) en te bekogelen met veel te grote waterballonnen en rauwe eieren. Volgensmij was dit niet het idee achter happy Holi. Zelfs de drie stoere westerse mannen waar ik mee samen ben kunnen me zelfs niet beschermen tegen alle aanvallen. Als een politieman een van onze betasters werkelijk kei hard op zijn bek slaat om ons te beschermen en ons terugstuurt naar het hostel, lijkt me dat een duidelijk genoeg signaal dat het over is. Ik ben blij dat ik m’n “no expectations-rule” heb toegepast, maar teleurgesteld ben ik toch.


Laat ik dat ei in m’n kruis maar zo snel mogelijk vergeten en terugdenken aan die zachte vingers over m’n voorhoofd waarmee we de dag openden vanmorgen. Want ook dit is India.

Mannen in de rij voor alcohol, de dag voor Holi:


3. Vanwege nummer 1 en 2 heb ik al snel besloten dat dit niet de plek is om lang te zijn en dus sta ik na 3 dagen Delhi al op het Old Delhi trainstation te wachten, samen met een bende andere mensen, op mijn trein naar Jaipur.


Mijn trein is vertraagd (zoals alle andere treinen in India overigens, nooit 5 min zoals de NS maar eerder 5 uur). Ik zie kinderen van het perron op het spoor plassen. Kinderen over het spoor struinen op zoek naar eten dat mensen uit de trein hebben gegooid. Een kind van 8 met een sigaret in zijn mond. Vrouwen die hun was ophangen naast de vervuilende treinen. Een man die op het spoort poept. Bedelende ongewassen kinderen die trucjes doen om geld te verdienen. Een vader naast me die zijn kinderen slaat met een stok als ze ruzie maken. Starende mannen-ogen, op mij gericht. En honderden mensen gewikkeld in lakens, slapend op het perron. Oef. Dit is niet het zachtste afscheid van een stad dat ik ooit gehad heb. Maar het is oke. Het past precies bij deze stad. En dit wilde ik zien en meemaken. Het is zo’n contrast met thuis, dit is waarom ik reis. Ook als snap ik het misschien niet allemaal, het schudt me wakker en maakt me bewust van het bizar gelukzalige overvloedige leven dat wij leiden in het westen. Terwijl ik in de deuropening van mijn vertrekkende trein zit, zwaai ik naar vrolijke spelende kinderen in de sloppen naast het spoor. Ik vraag me af welke kinderen gelukkiger zijn, die bij ons thuis die mopperen omdat ze naar school moeten (zoals ikzelf vroeger) of die hier, die gillend van plezier over de rails rennen. Ik heb geen idee.


– Ik geloof dat ik een semi-zwartrijder ben vandaag. Dat is ontstaan nadat ik een keer per ongeluk zwart heb gereden in Mumbai (succesvol zonder gepakt te worden) en ik Rich gisteren heb aangemoedigd om (vanwege megadrukte bij de ticketdesk en omdat hij zijn bus moest halen) samen op mijn ticket met de metro te reizen en we over een poortje zijn gesprongen. Ik weet het niet maar als niemand zich hier aan de regels houdt dan lijkt dat ook iets los te maken bij mij. Aangezien er geen tickets meer zijn voor de normale klasse in de trein richting Jaipur, heb ik een “general ticket” gekocht. Net zoals de Indiërs. Punt is alleen dat general class nogal vol zit. Zodra de trein tot stilstand komt, rent iedereen naar de deur om er vervolgens massaal ingeduwd en gepropt te worden. Ik kan er gewoon niet eens bij of tussen met m’n tas. En eigenlijk wist ik dit van tevoren. Ik installeer mezelf in de AC-klasse, tussen de rijkere Indiërs. Die me irritant vinden omdat ik geen betaalde zitplaats heb. Als er voor de vierde keer (!!) een conducteur langskomt en ik dus ook voor de vierde keer doe alsof ik slaap, begin ik em toch een beetje te knijpen. Ik moet lachen om mezelf, ik ben ZO’N watje en zon slechte moraalridder. En dus installeer ik me even later, als bange schijterd puur uit angst voor reprimandes, in de deuropening van de trein terwijl ik de zon zie ondergaan. Er is geen betere zitplaats in de trein dan deze.
Het lastige aan de Indiase treinen is dat stations niet worden omgeroepen en er ook geen bordjes op de perrons staan. Ik weet dus nooit wanneer ik er uit moet. Als je in India wilt reizen, zul je over een flinke dosis vertrouwen in de medemens moeten beschikken, óók als je keer op keer genaaid wordt door eerder genoemde onbetrouwbare ratten. Als een gezin naast me “Jaipur!” zegt, stap ik dus braaf uit. En snel weer in als iemand op t perron zegt dat ik er nog lang niet ben. Whatever. Ik volg braaf. Ach ja, het houdt je bezig en ik heb duidelijk niks beters te doen dan m’n tas optillen en verslepen. Gelukkig stap ik 15 min later op t juiste station uit en heb ik weer wat geleerd vandaag. Niet meer zo stoer doen, niet meer zwartrijden.
– Hoe gelukkig kun je zijn als je na het rauwe Delhi in Jaipur wordt verwelkomd door een jonge dude die goed Engels spreekt en me oprecht helpt bij het vinden van een guesthouse dat ík wil, zonder iets op te dringen. Als hij me ergens binnenbrengt en ik door de receptionist verwelkomd wordt met een enorme schaamteloze boer gevolgd door een “Hello Miss!”, dan is dat voor mij reden genoeg om te blijven. Hier ruikt het immers naar avontuur 🙂
En inderdaad, saai is het hier niet. Als ik de volgende ochtend na m’n meditatiesessie op t dak (ze zijn hier in Rajasthan echt HEEL GOED in dak-faciliteiten, te gek!) French Toast bestel als ontbijt, zie ik al dat het wel eens een lastige bestelling kan zijn. Eerst komt ie met toast met omelet. Ik stuur hem terug. Dan komt ie met toast met honing. Ik stuur hem terug. Drie keer zal scheepsrecht zijn toch? Dan komt ie met toast met gebakken ei. Mijn god, waarom zet je iets op de kaart als je niet weet wat het is?! Goed, we zijn een uur verder en het interesseert me inmiddels niks meer dus geef me dat ei nou maar, het is al goed. India. De beste training in geduld en loslaten die je ooit zult krijgen.
– Als ik even later het magische Amber Fort bezoek, ontdek ik daar de gezelligste wc van de wereld. Drie hang-wc’s op een rijtje zonder enige afscherming.


Hoe gezellig om zo op een rijtje te plassen? Ik kan niet ontkennen dat ik best wel blij ben dat ik niet hoef te poepen nu.
– Even later laat de riksja-chauf een van mn dromen uitkomen. Hij vraagt me of ik de riksja misschien wil besturen? Hell yeah! Als een kind zo blij scheur ik even later over de Indiase wegen. Hoera!
– Ook de rest van deze Pink City is prachtig. De oude tradities, een waterpomp midden in de stad, de lekkerste verse yoghurtshakes, opa en kleindochter bij een opkomende zon, oma die precies weet hoe ze geld moet vangen bij de toeristen, de heerlijke kleurrijke bende in de winkels en de beveiligers bij Amber fort die wel wat beters te doen hebben dan het fort bewaken. Ik slurp de mooie dingen van India op.





Maar dan is het zover. De pracht van India slaat om. Ik dacht dat ik m’n portie stomheid wel gehad had in Delhi maar het tegendeel is waar. Als ik het pad naar de Surya-tempel op loop en de jongen voor me ineens omdraait om zijn piemel uit zijn broek te halen om hem aan me te showen, is India ineens een stuk minder incredible. Wat sneu. Ik ben niet eens geshockeerd of bang. Ik vind het zo zielig voor hem dat hij de behoefte heeft om dit te doen. Waarom? Beledig ik hem door alleen te zijn als vrouw? Heeft hij last van onderdrukking van zijn seksualiteit? Is er iets mis met hem? Ik kan het alleen maar raden. Hij achtervolgt me tot aan de tempel op de top maar ik doe alsof ik niks gezien heb. Hij druipt af als ik me aansluit bij een Amerikaanse gast die zich direct over me ontfermt als ik vertel wat er zojuist gebeurd is. Ja hij wil mijn husband wel even zijn en ik ben veilig. Bizar is het contrast ook nu weer, als ik twee minuten later liedjes zit te zingen met een 7-jarig Indiaas meisje in de surya-tempel. Incredible again. India is zo’n gek land, zoveel extremen, zoveel uitersten. Ik kan niks anders doen dan het te ondergaan en accepteren.

Eenmaal terug bij de riksja heb ik wel weer genoeg gezien voor vandaag geloof ik 🙂 ik vraag m’n chauf om me terug te rijden naar m’n guesthouse. En dan wordt hij ineens ook nasty. Waar we net nog beste vrienden waren en ik z’n riksja mocht besturen, ben ik nu blijkbaar ineens een stom wijf omdat ik niet mee wil naar zijn huis of zijn vrienden om “chai te drinken”. Hij zeurt, hij beledigt me en springt ineens veel te dicht naast me op de achterbank. Luister vriend, ik heb net meerdere keren gevraagd of je wilt ophouden met zeuren of ik met je mee ga, ik heb je al uitgelegd wat nee betekent en nu ga ik het je nog een laatste keer vriendelijk vragen, maar als je niet luistert ga ik echt gruwelijk gebruik maken van deze gelegenheid om te oefenen met het aangeven van mijn grenzen. Stop met vragen, opdringen en aanraken en ga terug naar je eigen plek (waar inmiddels ineens een vriend van hem zit die de riksja bestuurt). En weer ben ik niet bang maar nu wel boos. Hij krijgt m’n smerigste blik te zien en ik vertel hem dat ik het meen. Rot op. Hij luistert. God wat heb ik zin om hem een mep te geven. Ik vrees dat deze agressie niet alleen op hem is gericht maar ook op z’n landgenoot van daarnet en op al die andere mannen die me de afgelopen week hebben aangestaard, aangevoeld en aangesproken. Ik heb het gehad. Ik vind Jaipur ineens een kutstad (wat het helemaal niet is, maar ik ben al het moois duidelijk weer vergeten) en de hoeveelheid scheldwoorden die zich ineens in mijn woordenboek bevinden is ook niet meer normaal. Ik kan beter gaan…

….to be continued, inclusief meer piemels en antwoord op de vraag waarom je ergens blijft als je het er horrible vindt. Speak soon.