A letter to my beloved Rat


Dear Rat,

We met for the first time when I was 7 years old and you and your brother appeared as a gift in our pantry. An interesting gift I would say, since rats were then already known as filthy animals. We, my two older brothers and I, did not agree on that and thought you and your brother were fantastic. Until at one evening, while we sat down for dinner and ate spaghetti with the family, very strange sounds were heard from the pantry. Our mom went out to check. Followed by dad. Followed by my brothers. To me a request to stay seated at the table. Apparently, your brother had decided to eat you. He was halfway through his meal and you were probably more than half dead. My introduction to the world of the rat was also the introduction to the world of death. Not really nice, you know.

The second time we saw each other was at a time when I lived in the belief that Í was the one about to die. After an Indian dinner in the North of Laos (the worst place to eat Indian, really, how stupid could I be), I spent the day after on a boat, puking, on my way to the border with Vietnam. All the more food disappeared from my stomach, the higher sustained my body temperature. I was scared: for the first time traveling alone, empty inside but full in my head, because what if this was not a food poisoning but malaria instead? There was only one guesthouse on the edge of the river, where I could spend the night. It was dirty. I just wanted to sleep. And there you were, suddenly, on my bedside table, while eating my earplugs. I didn’t have the energy to scare or worry as loneliness had taken the upper hand. I tried to chase you away by stomping on the ground. It worked, but two minutes later you came back to take over the soap that was on the nightstand. We played hide-and-seek for an hour, until you left me no choice but to give up. I took a sparkle of Buddhism from my toes and told you that you were welcome, everything in the room was to eat but that I was hoping you’d let my body alone tonight. I turned around and fell asleep. The next morning you were gone. Along with all that had been on my nightstand only 12 hours before. I was grateful. And I was not dead.

A few years later we met again, this time safely in my home in Amsterdam. As my roommate was terrified of you, she spread poison into every nook and cranny of our house. She didn’t have my permission because I wanted to be friends with you. Anyway, you and your family were not resistant to the blue granules and regularly I could smell your death. And sometimes, when I was lucky, I saw your brother or sister die slowly while he or she painfully dragged their bodies behind my refrigerator. When the body did not make it into one of my kitchen holes, I had at least the chance to hold a small R.I.P.-ceremony before throwing the little body in the trashcan. I am sorry that death had brought us together again.

Our fourth meeting took place abroad again. Sulawesi turned out to be your home. You were everywhere: on the street, in the gutter, in restaurants, on the verge. And in a couch in a guesthouse. One of you had built a phenomenal trail through the couch. You were not exactly malnourished and this time I watched your fat bodies running through the track. I was even a little scared because you were so fast. Death now also proved not to be far away. I found your cousin in the street, who had unfortunately not survived the harsh Sulawesian street-life. I took a picture of his broken body and posted it on Facebook so I could give him some kind of recognition for his life on earth.

Over the past few months I saw you regularly while travelling through India. We now know how to find each other more often, since you know I can be found in unhygienic environments and I am no longer afraid of your unexpected pop-ups and thick tail. After all, we have already been friends for almost 25 years and our meetings are becoming more cosy.

Last week I decided that it was time for a real ceremony to make our relationship more official. I had a long way off the beaten track, but as you know by now, I don’t mind to put in more effort to meet up with you my love. It took me a few day-travel and a few hours of searching but I had managed to get closer to your origin. There I was, in front of your palace: the rat temple in Deshnok. I had to prepare myself mentally over a Chai tea for our ceremony, but then I was ready. Shoes off. Shawl around my shoulders. Breathe in and out and off I went. Barefoot in the temple. And there you were surrounded by thousands of friends and relatives. You were everywhere, in all corners, holes, ridges, cracks. The whole floor was filled. Small, large, old and fat, young and energetic. Alive and some dead, again. Running, playing, sleeping, eating and drinking. I’ll be honest with you, fear shot my throat again and it took a while before I got used to the hustle and bustle of your existence. I prayed for you, along with hundreds of Hindu worshipers, and for the first time I no longer felt alone in my admiration for your people.

And then I could handle it. I kneeled down, touched the cool and dirty floor and sat in lotus-position. Suddenly, all fear disappeared. Like filth, speed and suddenness no longer existed. I trusted you completely. I could not believe where I was and what I did. I closed my eyes. Took a breath. And I was totally where I was. Together with you. One.

Until death do us part.


Een brief aan mijn geliefde Rat


Lieve Rat,

We ontmoetten elkaar voor het eerst toen ik 7 jaar was en jij samen met je broer als cadeau in onze bijkeuken verscheen. Interessant cadeau moet ik zeggen, want ratten stonden ook toen al bekend als smerige beesten. Wij, mijn twee oudere broers en ik, vonden jou en je broer echter fantastisch. Totdat we op een avond, terwijl we met het gezin aan de spaghetti zaten, hele gekke geluiden uit de bijkeuken hoorden komen. Ons mam ging kijken. Gevolgd door ons pap. Gevolgd door m’n broers. Aan mij het verzoek om vooral aan tafel te blijven zitten. Blijkbaar had je broer besloten om je op te eten. Hij was halverwege zijn maal en jij was waarschijnlijk meer dan halverwege de dood. Mijn introductie in de wereld van de rat was meteen ook de introductie in de wereld van de dood. Best heftig voor een 7-jarige weet je.

De tweede keer dat we elkaar zagen was op een moment dat ik in de overtuiging leefde dat ík zou sterven. Na een Indiase avondmaaltijd in het ontgonnen noorden van Laos (de slechtste plek om Indisch te eten, echt, hoe stom kon ik zijn), bracht ik de dag erna kotsend door op een boot die me naar de grens met Vietnam zou brengen. Des te meer voedsel er uit mijn maag verdween, des te hoger mijn lichaamstemperatuur opliep. Ik was bang, zo voor het eerst alleen op reis, leeg van binnen maar vol in mijn hoofd, want wat als dit niet een voedselvergiftiging maar malaria was? Er was maar één guesthouse aan de rand van de rivierwaar ik de nacht door kon brengen. Het was er vies. Heel erg vies. Maar ik wilde toch alleen maar slapen. En daar was je, ineens, op mijn nachtkastje, al etend aan mijn oordoppen. Ik had niet de energie meer om te schrikken of bang te zijn aangezien eenzaamheid de overhand had genomen. Ik probeerde je weg te jagen door op de grond te stampen. Het werkte, maar 2 minuten later was je weer terug om je te ontfermen over de zeep die op datzelfde nachtkastje lag. We speelden het hide-and-seek-spel gedurende een uur, totdat je me geen andere keus liet dan op te geven. Ik toverde een sprankje boeddhisme uit mijn tenen en vertelde je dat je welkom was, alles in de kamer op mocht eten maar dat ik hoopte dat je mijn lijf met rust zou laten vannacht. Ik draaide me om en stortte in slaap. De volgende ochtend was je weg. Samen met alles wat 12 uur daarvoor nog op mijn nachtkastje had gelegen. Ik was je dankbaar. Én ik was niet dood.

Enkele jaren later zagen we elkaar weer, ditmaal veilig thuis in Amsterdam. Aangezien mijn huisgenote doodsbang van je was, verspreidde ze gif in alle hoeken en gaten van ons huis. Mijn toestemming had ze niet, want ik wilde vrienden met je zijn. Hoe dan ook, jij en je familie bleken niet bestand tegen de blauwe korrels en regelmatig rook ik jullie dood. En soms, als ik mazzel had, zag ik je broer of zus langzaam sterven, terwijl hij of zij tergend traag terug achter mijn koelkast toog. Wanneer het lichaam de gaten en kieren van mijn keuken niet redde, had ik in ieder geval de kans om een kleine R.I.P.-ceremonie te houden om het lichaampje daarna in de prullenbak te donderen. Sorry dat de dood ons ook nu weer samenbracht.

Onze vierde ontmoeting voltrok zichzelf weer in het buitenland. Sulawesi bleek jullie thuisbasis. Jullie waren overal: op straat, in de goot, in restaurants, in de berm. En in een bank in een guesthouse. Eén van jullie had daar een fenomenaal vet parcours aangelegd. Dwars door de bank heen. Jullie waren niet bepaald ondervoed dit keer en sjeesten jullie dikke lijven door de bank heen. Ik was zelfs even een beetje bang. De dood bleek ook nu niet ver weg te zijn. Ik vond je neef op straat, die het harde straatleven in Sulawesi niet overleefd had. Ik nam een foto van zijn kapotte lijf om het vervolgens op Facebook te posten om hem toch nog iets van erkenning te geven voor zijn leven op onze aarde.

Tijdens mijn reis door India de afgelopen maanden zag ik je regelmatig. We weten elkaar steeds vaker te vinden, nu jij doorhebt dat ik me vaak in onhygiënische omgevingen bevind en ik me niet meer bang laat maken door je onverwachte pop-ups van die dikke staart van je. Immers, we zijn nu al bijna 25 jaar vrienden en onze ontmoetingen worden steeds gezelliger.

Daarom besloot ik vorige week dat het tijd werd voor een echte ceremonie om ons samenzijn officieel te maken. Ik moest een heel eind van het gebaande pad af, maar zoals je inmiddels weet heb ik veel voor je over. Het kostte me een paar dagen reizen en enkele uren zoeken maar het was me gelukt. Daar stond ik dan, voor jullie paleis: de rattentempel in Deshnok. Ik moest mezelf met een Chai-tea heel even mentaal voorbereiden op onze ceremonie, maar daarna was ik zover:

Schoenen uit. Sjaal om mijn schouders. Adem in en uit en daar ging ik. Op blote voeten de tempel in. En daar was je, omgeven door duizenden van je vrienden en familieleden. Jullie waren overal, in alle hoeken, gaten, nokken en kieren. De hele vloer vol. Klein, groot, oud en dik, jong en energiek. Levend en sommigen wederom dood. Rennend, spelend, slapend, etend en drinkend. Ik zal het je maar eerlijk zeggen, de angst schoot weer in mijn keel en het duurde even voordat ik gewend was aan de drukte van jullie bestaan. Ik deed een gebed voor jullie, samen met honderden Hindoeïstische aanbidders, waardoor ik me eindelijk even niet meer alleen voelde in mijn bewondering voor jullie volk.

En toen kon ik het aan. Ik ging door mijn knieën, raakte de koele en bepoepte vloer aan en streek neer in Lotus-zit. Ineens was alle angst verdwenen. Alsof smerigheid, snelheid en onverwachtheid niet meer bestonden. Ik vertrouwde jullie volledig. Ik kon bijna niet geloven waar ik was en wat ik deed. Ik sloot mijn ogen. Haalde adem. En was helemaal waar ik was. Samen met jou. Eén.


Tot de dood ons scheidt.