Het land van de tulband

Deshnok:

Tick it off the bucketlist!

Na de heerlijke ervaringen in de woestijn van Jaisalmer wordt het tijd voor het laatste deel van de tocht in deze provincie. Ik heb nog één plek op mijn lijstje staan, dat er al op staat sinds ik Chris Zegers er jaren geleden een bezoek aan zag brengen. Met name omdat ik toch een bijzondere band heb met de bewoners van de tempel waar ik het over heb: kleine snelle bruine wezentjes, mijn favoriete diertjes; de rat. Ja, het zal wel raar wezen, want wie wil er nou dolgraag naar een tempel vol ratten, maar lees m’n andere blog maar om te begrijpen dat de rat en ik een mooie geschiedenis hebben. Goed, korte versie: we zijn off the beaten track en dus moeten we eerst een uur zoeken naar de bus, dan langs de koe met 5 poten met heel veel geld ernaast (want ja als je misvormd bent, ben je heilig) totdat we enkele uren later op onze blote voeten tussen de ratten staan! Hoera! I made it! Toegegeven, ik vind het wel een beetje eng in het begin want ze zijn met heul veul, zeker een paar duizend en ze zijn overal en schieten dus ook vanuit nowhere ineens voor je voeten langs. Maar des te langer ik er ben, des te relaxter ik word en des te beter ik kan genieten van dit spektakel. De hindoes om ons heen hebben gelukkig ook meer oog voor de ratten dan voor ons. Ze zoeken naar de witte rat, want die brengt geluk. Dat is namelijk de reïncarnatie van ehm zoek dat verhaal maar op als je het wilt weten. Ik heb niet meer geluk nodig, ik ben als een kind in de snoepwinkel met m’n favorietjes om me heen. Prachtige ervaring, again. En Jezus, India je bent echt niet goed wijs. Wederom.

Bikaner:

De enige reden dat we hier zijn is de Rattentempel, dus in de overige tijd die ons rest in de laatste stad van deze onaardige provincie mag ik nog een laatste keer oefenen in being incredibly bitchy. Niet aankijken, naar de grond kijken, negeren, niet reageren, doen alsof ze niet bestaan: kortom, de voor mij zwaar onbeschofte aanpak maar voor de meisjes hier bloednormaal. Heel moeilijk echter voor een Nederlands meisje dat op reis gaat om contact te maken. Bovendien zie ik niks meer van al het moois om me heen omdat ik alleen nog maar naar de grond staar. Ik heb inmiddels door hoe het werkt, maar hier houdt het plezier van reizen wel ongeveer op. Na weer flink uitgedaagd en uitgelachen te zijn door groepen jongens en hatelijke middelvingers in m’n gezicht gekregen te hebben is het tijd om het 120 jaar oude prachtige Laxmi paleis (verbouwd tot hotel) in te duiken om even een middagbreak te nemen van deze hectiek. Vooral omdat onze bus deze stad uit stuk is en dus niet reed gisteren. Een extra dag en nacht overleven dus. Vanavond rijdt ie hopelijk wel maar dat zien we dan pas. Zo gaat dat gewoon.
Als ik in het paleis een rondje loop om de jacht-veroveringen van de Raj-familie te zien (lees opgezette tijgers, paarden, leeuwen, herten etc, ook weer zo bizar), loop ik een mannelijke schoonmaker tegen het lijf die het stoepje veegt. Als hij mij ziet, slaat hij direct zijn ogen neer. Auw. Dat hoeft echt niet. Ik weet niet of het het leven buiten de muren, binnen deze muren of de opgezette dieren zijn die de tranen over mijn wangen veroorzaken. Als we allemaal gelijk zijn, waarom voel ik me dan zo
rot hier? Hoe groot kan het contrast ook zijn: buiten de muren het gevoel krijgen dat je niks bent en hier in het paleis het gevoel krijgen dat je alles bent. Ik denk dat ik m’n portie Rajasthan wel gehad heb. Het doet me dan ook heel goed om de middag door te brengen aan het zwembad, helemaal alleen, met een Skype met bestie Judith die me volledig begrijpt en vaststelt dat het nogal logisch is dat ik moe ben: als je je de hele dag volledig tegenovergesteld van wie je bent moet gedragen, dan kost dat kruim. Haar woorden, de zon en het alleen zijn laden me weer op en een paar uur later ben ik klaar voor de busreis deze provincie uit. We kruipen in ons bedje bovenin de bus, bekleed met een heel harig tapijtje vól met zand. Dat wordt zandhappen vannacht. But I dont care. Ik haal diep adem als we de provincie Rajasthan uitrijden en hoop op iets beters als ik morgen wakker word.

Amritsar:

En dat krijg ik! We zijn in Punjab, de staat van de vriendelijke Sikhs (de tulbanden), m’n kleine broertje Suki waar ik af en aan mee reis én The Golden Tempel. En holy holy holy holy fuck die is mooi. Dit is niet meer normaal! Dit is officieel de fijnste meest indrukwekkende tempel die ik ooit heb gezien. Én waar ik ooit heb geslapen. Dit is echt weer zon ervaring uit duizenden die India zó de moeite waard maakt waardoor ik het geluk niet van m’n gezicht af krijg. De zonsopkomst hier zien, je ronde doen om de gouden tempel heen die in heilig water ligt (echt goud en zo zo zo mooi!!!), glimlachen naar de Sikhs die ons lief aankijken, handjes geven aan de superbeleefde kindjes, heerlijk eten ontvangen (tegelijk met een zaal vol gelovigen) in de tempel en zelfs even de grootste keuken ooit zien. Dit zijn potten en pannen zoals je ze alleen van tekenfilms kent, op een vuurtje met een mannetje op een krukje die er met een enorme lepel in roert. Duizenden mensen komen hier iedere dag bidden, eten en slapen. Gratis. En wij delen onze slaapplaats met enkele duizenden Sikhs die hier ook slapen. Dit is me een partijtje bijzonder! De westerlingen hebben een eigen ruimte, we liggen met 30 backpackers op een zaal, op veldbedden naast elkaar. Ik word er blij van. De Indiërs liggen verspreid over kamers, de binnenplaats en de gangen, meestal gewoon op een kleedje. Het is hier echt propvol maar iedereen geeft elkaar op een of andere onmogelijke manier de ruimte waardoor het toch ruimtelijk voelt ofzo. Heel fijn. En ik heb echt iets met Indiërs die wakker worden geloof ik. De dames zichzelf wassend en douchend in de gedeelde ruimtes (naakt is geen probleem for us sisters en dan wordt er ook opeens niet meer gestaard), samen haren kammen, Sari’s omknopen, sommigen make-up-end. Jong, oud, dik, dun, rijk, arm, gekleurd en blank. We are all one again! De mannen doen ook weer normaal, godzijdank 🙂 We zijn duidelijk in een ander deel van India. Ik kan hier zelf alleen over straat en maak er gretig gebruik van. Het is zo goed en zo fijn om het weer alleen te kunnen en mogen doen en ik ben zo blij en dankbaar. Oh ja en een Mac Flurry eten bij de enige volledige vegetarische Mac Donalds ter wereld helpt natuurlijk ook 😉 want hier in Punjab wordt geen alcohol geschonken en geen vlees of vis gegeten. Punjabis zijn overigens de koningen van de keuken, het eten hier is abnormaal smaakvol. Zelfs het eten in de tempel dus, wat met een uniek en fenomenaal systeem opgediend wordt voor de duizenden mensen die hier op de grond aanschuiven. Ik kijk mijn ogen uit en koester tegelijkertijd m’n smaakpapillen. Een hemelse plek. You have got to love the Sikhs!

Pakistan:

Via andere backpackers hoor ik dat er bij zonsondergang een ceremonie te zien is op de grensovergang met Pakistan. Huh, kun je daar komen dan? India en Pakistan staan nou niet bepaald bekend als beste vrienden en bovendien mogen wij Westerlingen Pakistan niet eens in, dus dit klinkt als een spannend en onveilig avontuur. De riksja-bestuurder verzekert me dat het veilig is en dat er dagelijks honderden mensen komen kijken naar het ritueel. Wel je paspoort meenemen, waarschuwt ie me. Oke I am in! Ik zeg het je, niet honderden maar duizenden Indiërs vergezellen ons wanneer we (na immense controles en fouillages overigens) op de grens staan. En ik heb nog nooit zoiets gezien. Het hek gaat open, en de grens dus ook. Indiase grensofficieren in traditionele outfits die een soort van machtsvertoon-dans doen tegen de Pakistanen aan de andere kant die precies hetzelfde doen. En een tribune aan de Pakistaanse en aan onze kant. En duizenden Indiërs die heel heel heel hard roepen. Ik dacht dat de Amerikanen patriottistisch waren maar de Indiërs winnen dit dik. Opvallend is dat aan de Pakistaanse kant slechts een handjevol Pakistanen bij de ceremonie aanwezig is. En dat de mannen en vrouwen daar strikt van elkaar gescheiden zijn. En ik de vrouwen niks hoor roepen. Op zich niet gek gezien de grootte en cultuur van hun land maar het maakt de verschillen maar weer eens duidelijk. Ik ben onder de indruk. Ook van de tientallen vet-stoere scherpschutters overigens en ja dit keer voel ik me gevleid als ze naar me lachen, een knipoog van een sniper kan ik wel aan 😉

Een nieuwe bus?!

We vervolgen onze weg richting de bergen en de kou. Ik loop nog steeds op slippers en wéiger die na 3 maanden ketenloos trippelen uit te doen. De eerste bus is een echte Pun-bus (Punjab bus) met afbeeldingen van Sikh-goeroes. Lekker kitsch, vrolijk en vol. Een klein meisje voor ons geeft over door het raam en ik kan ons raam maar net op tijd dichtdoen om haar overgeefsel te ontwijken. Ik ben soms echt onder de indruk van hoe Indiërs met de lasten van het leven omgaan. Waar ik vroeger mezelf heel zielig had gevonden en er een drama van had gemaakt, kijkt dit meisje na een paar keer spugen alweer om om lief naar me te glimlachen. I guess she is allright. In Pathankot moeten we wisselen van bus om verder richting our friend de Dalai Lama te reizen. We vragen rond, ik doe weer een glimlachje met de verkopers en chauffeurs en ze wijzen ons de bus. Rich en ik kijken elkaar immens verbaasd aan: huh? Zijn we India uit ofzo? Een gloedje-nieuwe bus, mét deuren en zelfs met het plastic nog over de stoelen (alhoewel dat niks zegt trouwens, dat laten ze er hier decennia lang om zitten ter bescherming van het meubilair). Dit zou een Nederlandse bus kunnen zijn. Dit is zelfs beter dan de 150 naar Reusel. Ik voel me bijna schuldig als ik m’n verstofte gele backpack de bus in til, want “straks wordt dus bus nog vies”. En ja, hij rijdt ook nog eens als een bus bij ons: smooth en gedempt. Wat een cadeautje. Zéker als we even later INEENS achter het stof van de huizen een ENORME bergtop zien. Inclusief sneeuw. De Himalaya!!!

          

Een brief aan mijn geliefde Rat

IMG_1410

Lieve Rat,

We ontmoetten elkaar voor het eerst toen ik 7 jaar was en jij samen met je broer als cadeau in onze bijkeuken verscheen. Interessant cadeau moet ik zeggen, want ratten stonden ook toen al bekend als smerige beesten. Wij, mijn twee oudere broers en ik, vonden jou en je broer echter fantastisch. Totdat we op een avond, terwijl we met het gezin aan de spaghetti zaten, hele gekke geluiden uit de bijkeuken hoorden komen. Ons mam ging kijken. Gevolgd door ons pap. Gevolgd door m’n broers. Aan mij het verzoek om vooral aan tafel te blijven zitten. Blijkbaar had je broer besloten om je op te eten. Hij was halverwege zijn maal en jij was waarschijnlijk meer dan halverwege de dood. Mijn introductie in de wereld van de rat was meteen ook de introductie in de wereld van de dood. Best heftig voor een 7-jarige weet je.

De tweede keer dat we elkaar zagen was op een moment dat ik in de overtuiging leefde dat ík zou sterven. Na een Indiase avondmaaltijd in het ontgonnen noorden van Laos (de slechtste plek om Indisch te eten, echt, hoe stom kon ik zijn), bracht ik de dag erna kotsend door op een boot die me naar de grens met Vietnam zou brengen. Des te meer voedsel er uit mijn maag verdween, des te hoger mijn lichaamstemperatuur opliep. Ik was bang, zo voor het eerst alleen op reis, leeg van binnen maar vol in mijn hoofd, want wat als dit niet een voedselvergiftiging maar malaria was? Er was maar één guesthouse aan de rand van de rivierwaar ik de nacht door kon brengen. Het was er vies. Heel erg vies. Maar ik wilde toch alleen maar slapen. En daar was je, ineens, op mijn nachtkastje, al etend aan mijn oordoppen. Ik had niet de energie meer om te schrikken of bang te zijn aangezien eenzaamheid de overhand had genomen. Ik probeerde je weg te jagen door op de grond te stampen. Het werkte, maar 2 minuten later was je weer terug om je te ontfermen over de zeep die op datzelfde nachtkastje lag. We speelden het hide-and-seek-spel gedurende een uur, totdat je me geen andere keus liet dan op te geven. Ik toverde een sprankje boeddhisme uit mijn tenen en vertelde je dat je welkom was, alles in de kamer op mocht eten maar dat ik hoopte dat je mijn lijf met rust zou laten vannacht. Ik draaide me om en stortte in slaap. De volgende ochtend was je weg. Samen met alles wat 12 uur daarvoor nog op mijn nachtkastje had gelegen. Ik was je dankbaar. Én ik was niet dood.

Enkele jaren later zagen we elkaar weer, ditmaal veilig thuis in Amsterdam. Aangezien mijn huisgenote doodsbang van je was, verspreidde ze gif in alle hoeken en gaten van ons huis. Mijn toestemming had ze niet, want ik wilde vrienden met je zijn. Hoe dan ook, jij en je familie bleken niet bestand tegen de blauwe korrels en regelmatig rook ik jullie dood. En soms, als ik mazzel had, zag ik je broer of zus langzaam sterven, terwijl hij of zij tergend traag terug achter mijn koelkast toog. Wanneer het lichaam de gaten en kieren van mijn keuken niet redde, had ik in ieder geval de kans om een kleine R.I.P.-ceremonie te houden om het lichaampje daarna in de prullenbak te donderen. Sorry dat de dood ons ook nu weer samenbracht.

Onze vierde ontmoeting voltrok zichzelf weer in het buitenland. Sulawesi bleek jullie thuisbasis. Jullie waren overal: op straat, in de goot, in restaurants, in de berm. En in een bank in een guesthouse. Eén van jullie had daar een fenomenaal vet parcours aangelegd. Dwars door de bank heen. Jullie waren niet bepaald ondervoed dit keer en sjeesten jullie dikke lijven door de bank heen. Ik was zelfs even een beetje bang. De dood bleek ook nu niet ver weg te zijn. Ik vond je neef op straat, die het harde straatleven in Sulawesi niet overleefd had. Ik nam een foto van zijn kapotte lijf om het vervolgens op Facebook te posten om hem toch nog iets van erkenning te geven voor zijn leven op onze aarde.

Tijdens mijn reis door India de afgelopen maanden zag ik je regelmatig. We weten elkaar steeds vaker te vinden, nu jij doorhebt dat ik me vaak in onhygiënische omgevingen bevind en ik me niet meer bang laat maken door je onverwachte pop-ups van die dikke staart van je. Immers, we zijn nu al bijna 25 jaar vrienden en onze ontmoetingen worden steeds gezelliger.

Daarom besloot ik vorige week dat het tijd werd voor een echte ceremonie om ons samenzijn officieel te maken. Ik moest een heel eind van het gebaande pad af, maar zoals je inmiddels weet heb ik veel voor je over. Het kostte me een paar dagen reizen en enkele uren zoeken maar het was me gelukt. Daar stond ik dan, voor jullie paleis: de rattentempel in Deshnok. Ik moest mezelf met een Chai-tea heel even mentaal voorbereiden op onze ceremonie, maar daarna was ik zover:

Schoenen uit. Sjaal om mijn schouders. Adem in en uit en daar ging ik. Op blote voeten de tempel in. En daar was je, omgeven door duizenden van je vrienden en familieleden. Jullie waren overal, in alle hoeken, gaten, nokken en kieren. De hele vloer vol. Klein, groot, oud en dik, jong en energiek. Levend en sommigen wederom dood. Rennend, spelend, slapend, etend en drinkend. Ik zal het je maar eerlijk zeggen, de angst schoot weer in mijn keel en het duurde even voordat ik gewend was aan de drukte van jullie bestaan. Ik deed een gebed voor jullie, samen met honderden Hindoeïstische aanbidders, waardoor ik me eindelijk even niet meer alleen voelde in mijn bewondering voor jullie volk.

En toen kon ik het aan. Ik ging door mijn knieën, raakte de koele en bepoepte vloer aan en streek neer in Lotus-zit. Ineens was alle angst verdwenen. Alsof smerigheid, snelheid en onverwachtheid niet meer bestonden. Ik vertrouwde jullie volledig. Ik kon bijna niet geloven waar ik was en wat ik deed. Ik sloot mijn ogen. Haalde adem. En was helemaal waar ik was. Samen met jou. Eén.

IMG_1471

Tot de dood ons scheidt.